|
Themazegels
een website vanuit mijn thematische postzegelverzameling door
Guy Hoenen
|
|
Kerstmis

| |
Het kerstverhaal wordt in het Nieuwe Testament
beschreven door de evangelisten Lucas en Matteüs.
Op deze pagina wordt gebruik gemaakt van De Nieuwe Bijbelvertaling
| |
 |
Matteüs afgebeeld op de linker en Lucas op de
rechter zegel.
Luchtpost zegels van Vaticaanstad uit 1971 |
 |
|
|
|
| |
Aankondiging van de geboorte van Jezus
(Lucas 1: 26-38)
26 In
de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in
Galilea, 27 naar een meisje dat was
uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van
David. Het meisje heette Maria. 28 Gabriël
ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de
Heer is met je.’ 29 Ze schrok hevig bij het
horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te
betekenen had. 30 Maar de engel zei tegen
haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken.
31 Luister, je zult zwanger worden en een
zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. 32 Hij
zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd,
en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.
33 Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over
het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’
34 Maria
vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit
gemeenschap met een man gehad.’ 35 De engel
antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de
Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind
dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.
36 Luister, ook je familielid Elisabet is
zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al
hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar
zwangerschap, 37 want voor God is niets
onmogelijk.’ 38 Maria zei: ‘De Heer wil ik
dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de
engel haar weer alleen.
|
|
| |
|
 |
 |
|

| |
Maria en Elisabet (Lucas 1: 39-56)
39 Kort
daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad
in Juda, 40 waar ze het huis van Zacharias
binnenging en Elisabet begroette. 41 Toen
Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar
schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest 42 en
riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend
is de vrucht van je schoot! 43 Wie ben ik dat
de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44 Toen
ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de
woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’
46 Maria
zei: ‘Mijn ziel prijst en
looft de Heer,
47 mijn hart juicht om
God, mijn redder: 48 hij
heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.
Alle geslachten zullen mij voortaan
gelukkig prijzen,
49 ja, grote dingen
heeft de Machtige voor mij gedaan,
heilig is zijn naam.
50 Barmhartig
is hij, van geslacht op geslacht,
voor al wie hem vereert.
51 Hij
toont zijn macht en de kracht van zijn arm
en drijft uiteen wie zich verheven
wanen, 52 heersers
stoot hij van hun troon en
wie gering is geeft hij aanzien.
53 Wie
honger heeft overlaadt hij met gaven,
maar rijken stuurt hij weg met lege
handen.
54-55 Hij
trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,
zoals hij aan onze voorouders heeft
beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en
zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’ [54–55]
55
56 Maria
bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.
|
|
| |
 |
|
 |
|
| |
De geboorte van Jezus (Lucas 2: 1
- 21)
1 In die tijd kondigde
keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich
moesten laten inschrijven. 2 Deze eerste
volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over
Syrië. 3 Iedereen ging op weg om zich te
laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam.
4 Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea
naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij
van David afstamde, 5 om zich te laten
inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was.
 |
|
| |
6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar
bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter
wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem
in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het
nachtverblijf van de stad.
|
|

| |
8 Niet
ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze
hielden de wacht bij hun kudde. 9 Opeens
stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het
stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken.
10 De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang,
want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote
vreugde zal vervullen: 11 vandaag is in de
stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer.
12 Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie
zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een
voederbak ligt.’ 13 En plotseling voegde zich
bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:
14 ‘Eer
aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die
hij liefheeft'. |
|
| |
 |
|
| |
15 Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de
herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen
te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’
16 Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria
aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. 17 Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind
was gezegd. 18 Allen die het hoorden stonden
verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, 19 maar
Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover
nadenken. 20 De herders gingen terug, terwijl
ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden,
precies zoals het hun was gezegd. |
|
|
aanbidding der herders: |
 |
|
 |
|
| |
|
|
|
|
| |
 |

 |

 |
|
| |
zegels naar een schilderij van Rubens
"aanbidding van de herders", de vier zegels rechts zijn fragmenten
uit het schilderij. |
|
| |
De vlucht voor Herodes en Archelaüs (Matteüs 2:
1-23)1 Toen
Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van
Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan.
2 Ze vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning
van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn
gekomen om hem eer te bewijzen.’ 3 Koning
Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem.
4 Hij riep alle hogepriesters en
schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de
messia geboren zou worden.
5 ‘In Betlehem in Judea,’ zeiden ze tegen
hem, ‘want zo staat het geschreven bij de profeet:
6 “En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de
minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort
die mijn volk Israël zal hoeden.”’ 7 Daarop
riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies
van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was,
8 en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met
de woorden: ‘Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur
mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan
om het eer te bewijzen.’ 9 Nadat ze
geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg,
en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat
hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was.
10 Toen ze dat zagen, werden ze vervuld van
diepe vreugde. 11 Ze gingen het huis binnen
en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om
het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden
en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.
12 Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd
om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route
terug naar hun land.
|
|
| |
13 Kort
nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan
Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: ‘Sta op en vlucht
met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer
roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’
14 Jozef stond op en week nog diezelfde nacht
met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. 15 Daar
bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij
monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn
zoon geroepen.’
|
|
| |
16 Toen
Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij
verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de
magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde
omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen.
17 Zo ging in vervulling wat gezegd is door
de profeet Jeremia: 18 ‘Er klonk een stem in
Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde
niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’
19 Nadat
Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte
een engel van de Heer. 20 De engel zei: ‘Sta
op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het
kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.’
21 Jozef stond op en vertrok met het kind en zijn moeder naar
Israël. 22 Maar toen hij daar hoorde dat
Archelaüs zijn vader Herodes was opgevolgd als koning over Judea,
durfde hij niet verder te reizen. Na aanwijzingen in een droom week
hij uit naar Galilea. 23 Hij ging wonen in de
stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de
profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’
|
|
|
|
Guy Hoenen, december 2007 |
|
|